Magazine Contact #16 - Magazine - Over ons - Concept Wiesner-Hager
back

„Een pleidooi voor de communicatie.“

Magazine Contact #16

Bij het onderwerp "Kantoorruimtes zonder wanden - voor en tegen" zijn de meningen verdeeld. Markus Wiesner, directeur van Wiesner-Hager, Bernhard Kern, hoofd van Roomware Consulting GmbH, en journalist Wojciech Czaja ontmoetten elkaar daarom in Linz voor een discussiebijeenkomst.

Meneer Wiesner, hoe moeten wij ons de werkplek van een directeur van een kantoormeubelfabrikant voorstellen?

Wiesner: Als directeur heb ik het privilege in een individueel kantoor te zitten. Maar ik heb niet zo’n klassiek, representatief directeurskantoor. In plaats daarvan is mijn kantoor verdeeld in drie zones: Er is een heel normale werkplek, waar ik vooral op de laptop werk. Er is een gemeenschappelijke zone, die voor kleinere besprekingen wordt gebruikt. En dan is er nog een ontspanningszone, waar een lage bank staat waar ik soms een kwartiertje op ga liggen. Dat gebeurt helaas niet al te vaak.

 

Muur van gipskartonplaat? Jaloezieën? Glas?

Wiesner: Mijn kantoor is op dezelfde manier van glas voorzien als dat van de andere medewerkers. Er is geen hiërarchie. De transparantie is tot in de directie doorgevoerd.

 

En u, meneer Kern, hoe werkt u?

Kern: Ik zit in directe nabijheid van mijn medewerkers en heb een kantoor van 14 vierkante meter. Ik moet echter voorop zeggen dat ik veel onderweg ben. 40 tot 50 procent van mijn werktijd ben ik onderweg. Ik gebruik mijn kantoor vooral voor organisatorische zaken, voor telefoontjes, voor korte besprekingen en dergelijke. Als ik geconcentreerd wil werken, trek ik mij liever terug. Daarvoor is het in mijn kantoor te druk. Daar rinkelt onophoudelijk de telefoon.

 

Dat gebeurt toch ook in een kantoortuin!

Kern: In een kantoortuin is men beslist minder op zichzelf dan in een individueel of in een klein groepskantoor. Men wordt geconfronteerd met een zekere openheid en transparantie. Dat klopt wel. Dat is een kwestie van wennen. Maar kantoortuinen hebben tegenover het stille kamertje waarin ik mij terugtrek en waarvan ik zo mogelijk nog de deur achter mij dichtmaak, een beslissend voordeel: als medewerker heb ik de kans direct en rechtstreeks deel te nemen aan het bedrijfsgebeuren. Zo gezien zijn kantoortuinen een pleidooi voor de communicatie en zodoende ook voor de moderniteit en vitaliteit van een bedrijf.

 

Toch zijn veel medewerkers niet erg gelukkig met die kantoortuinsituatie.

Wiesner: Dat is niet alleen niet waar, maar ook een cliché. Schelden op kantoortuinen is tegenwoordig helemaal in. Uit eigen ervaring weet ik van een wereldwijd, interessant fenomeen: het is gebruikelijk dat medewerkers vaak ontevreden zijn met nieuwe ruimte-oplossingen. Het is een tendens om kritisch tegenover nieuwe dingen te staan. Dat is een gegeven. Er is gewoon tijd nodig om aan een nieuwe situatie gewend te raken.

 

Waar moet bij de planning van een kantoortuin vooral op worden gelet?

Wiesner: Een 700 vierkante meter grote hal met alleen bureaus en cubicles, zoals men die deels uit de VS kent, dat is het niet. Er moeten structuren worden gecreëerd. En wel structuren voor verschillende ruimtesituaties, voor verschillende karakters en voor verschillende stemmingen en gemoedsgesteldheden op een dag. Een bepaalde privésfeer mag daarbij niet ontbreken. En daarvoor zijn er optische, akoestische, klimatologische en atmosferische maatregelen nodig.

 

En hoe zien deze maatregelen er concreet uit?

Wiesner: In feite kent de inrichting geen grenzen. Het gaat om de verscheidenheid. Dat kunnen meubels, dat kunnen scheidingswanden, dat kunnen planten, dat kunnen bepaalde, onbewuste routes zijn. Daar zijn geen uniforme richtlijnen voor. Kern: Een andere mogelijkheid is de inrichting van de zogenoemde middenzone.

 

Middenzone?

Kern: Middenzone is een verzamelbegrip. Dat kunnen servicezones, printereilanden, gesprekstafels of eenvoudig alleen verschillend ingerichte communicatiezones zijn. Deze middenzones zijn in een kantoortuin extreem belangrijk. Qua structurering van de standaard werkplekken en als bijdrage aan een bepaalde heterogeniteit op kantoor. Hoe meer verschillende zones en signaturen, des te beter.

 

Zijn er eigenlijk internationale verschillen in de kwaliteit van de werkplekinrichting?

Wiesner: En hoe! Ik was enige tijd geleden in Azië en heb de kantoortuin van een consulting bedrijf bekeken. Ik was geschokt! Dat was als in een legbatterij! Een aaneenschakeling van honderden bureaus. Anders niets. Maar afgezien van zo’n radicale voorbeelden zou ik zeggen: Over het algemeen zijn de eisen wat de kantoorinrichting betreft in Midden-Europa duidelijk hoger dan bijvoorbeeld in Azië of in het Anglo-Amerikaanse gebied, vooral in Groot- Brittannië en in de VS.

De typisch Amerikaanse kantoortuin, waar men opstaat en dan over 200 werkplekken heen kijkt, bestaat die in Oostenrijk niet?

Wiesner: Ik zou zeggen dat het een zeldzaamheid is. Dat is zeker niet standaard.

 

Vanuit uw ervaring: Hoeveel vierkante meter kantooroppervlakte moet men tegenwoordig per medewerker rekenen?

Kern: Ik noem niet graag cijfers, maar grofweg zou ik zeggen: 25 tot 30 vierkante meter bruto etage-oppervlakte ten opzichte van 15 tot 20 vierkante meter nuttige oppervlakte per medewerker is zeker een goed uitgangspunt. Maar dat is echt maar een grof cijfer. In concrete gevallen hangt de optimale kantoorgrootte altijd af van de bedrijfsstructuur en van de architectonische omstandigheden.

 

De Duitse bedrijfsadviseur Jan Teunen pleit voor zogenoemde decompressieruimtes in de kantoortuin. Wat vindt u daarvan?

Wiesner: Decompressie? Bij dit woord krijg ik een negatief gevoel. Dat klinkt zo van: Ik creëer ruimtelijke omstandigheden, maar die zijn zo slecht dat ik als tegenhanger dan ruimtes voor decompressie erbij moet plannen. Zo zou ik het causale verband niet graag zien.

 

Maar is het niet zo dat de druk op de medewerkers steeds meer toeneemt?

Meer prestatie, meer kwaliteit en daarentegen minder tijd, minder geld, minder personeel. Dat leidt onvermijdelijk tot een te hoge druk. In zoverre is het begrip decompressieruimte misschien absoluut gegrond.

Wiesner: Daarover kan men van mening verschillen. Ik ben geen voorstander van de grote saaie kantoortuin, waar ik dan voor decompressie een paar boxen en cellen in zet. Wie gaat daar vrijwillig in zitten? De inrichtingskwaliteit moet door alle zones heen lopen. Daarom gebruik ik in plaats van decompressieruimte veel liever het begrip middenzone, en daar valt bijvoorbeeld ook een besprekingskamer onder, die er dan uitziet als een schemerige, gezellige bibliotheek met oorfauteuils.

 

Zo moet een kantoor eruit zien. Dan ontstaat die te hoge druk, waarover u spreekt, al helemaal niet. woonkamer-karakter?

Wiesner: Ja, de tendens gaat heel sterk in de richting van een woonkamerkantoor. Ik was vorig jaar op de Orgatecbeurs in Keulen en daar valt op dat men soms helemaal geen verschil meer ziet tussen woonkamer en kantoor.

 

Is dat goed?

Wiesner: Wanneer het enkel en alleen om het karakter van een plek gaat, dan kan ik de crossover-inrichting van woonkamer en kantoor goed begrijpen. Maar om deze twee verschillende ruimten te veel met elkaar te vermengen, beschouw ik als gevaarlijk. Een bepaalde scheiding, een bepaalde afstand moet bewaard blijven. Niet voor niets is er het begrip Life-and-Work-Balance. Ik vind dat erg belangrijk.

 

Laatste vraag: Hoe ziet het kantoor van de toekomst eruit?

Wiesner: Het kantoor moet een plek zijn waar ik mij goed voel. Een plek die mij een beetje aan wonen herinnert. Een plek die communicatie en creativiteit in de groep bevordert. Maar vooral moet het kantoor vanuit het zicht van de werkgever een plek worden die heel nauwkeurig en gedetailleerd moet worden gepland. Architectuur en kantoorinrichting zijn weliswaar niet alles, maar het zijn belangrijke factoren die de tevredenheid van de medewerkers, het kantoorklimaat en de identificatie met het bedrijf beïnvloeden en zodoende ook kunnen verbeteren. Niet meer en niet minder.

Magazine abonneren!

U krijgt ons magazine met informatie uit de markt en over Wiesner Hager.